Het orgel in de Caroluskapel

Het Orgel in de Caroluskapel is een werkelijk uniek monument. De Caroluskapel is de oorspronkelijke kloosterkerk van het Kartuizerklooster. De Kartuizers kennen geen traditie waarin de pracht en praal van het orgel past. Maar niet alleen deze historie maakt het uniek. Ook de uitvoering van het orgel is bijzonder.

Een prachtig orgel bij de Kartuizers?

De eerste rector van het klooster vermeldt, dat de kerk reeds in 1398 tot stand was gekomen. Al snel komt het klooster tot grote bloei. In 1423 wordt er aangenomen Dionysius van Ryckel, de als mysticus en theoloog beroemd geworden "Doctor Extaticus". In 1554 heeft een brand het klooster geteisterd. In 1556 werd de kapittelzaal, het tegenwoordige atrium voor de kerk, in het verlengde van de beuk der kerk ingericht. In 1567 werd het klooster "het ruimste en rijkste van alle Kartuizerkloosters" genoemd. Terwijl alle andere Kartuizerkloosters in ons land in de 16e eeuw te niet gegaan zijn, is het Roermondse huis de gevolgen van het bekende bloedbad en de plundering van het jaar 1572 te boven gekomen.

In 1665 wordt het klooster weer door brand verwoest. Vijf jaar later wordt de kerk weer opgebouwd, maar nu voorzien van een "stuc-tongewelf", terwijl de oorspronkelijke spitsboogvensters veranderd worden in rondboogvensters. Begin 1700 is Roermond een welvarende stad en de Kartuis zo welvarend, dat haar rijkdom spreekwoordelijk werd. Tussen 1740 en 1773 vindt er een algehele verfraaiing en restauratie plaats. De bouw van het orgel moeten we rond 1740 plaatsen.

Het is wonderlijk, dat de Kartuizers een orgel bouwden, omdat dat stellig tegen de regels van de H. Bruno en de traditie van de orde is. De bouw komt dan ook voornamenlijk voort uit de geest van rijkdom en luxe, kenmerkend voor die tijd. De bouw van het orgel heeft er dan ook toe geleid, dat de Prior, Joannes Schnickel, bij de visitatie van 1764 van zijn funktie ontheven werd.

Een zo rijk instrument in een Kartuizerkerk maakt het Orgel tot een uniek instrument.

Jean Baptist Le Picard

Orgelbouwers van naam zijn in de eerste helft van de 18e eeuw in Limburg niet bekend. Het orgel in de Caroluskapel werd gebouwd door de beroemde Luikse orgelbouwer Jean Baptist Le Picard. Le Picard had grote naam gemaakt met de orgels in de Lambertuskathdraal en de Collegiale St. Pieterskerk in Luik, voorbeelden van hoogbloei van de barokke Franse orgelbouwstijl. Deze orgels waren zo goed, dat hij orgels moest plaatsen in Herkenrode, Tongeren, St. Truiden en Roermond. In Roermond en omgeving bouwde Le Picard vele orgels: Kathedraal 1752, Thorn St Michielskerk ca. 1740, Weert St. Martinus ca. 1740, Nunhem St Elisabethsklooster 1742, Minderbroederskerk Roermond ca. 1740 en de Kartuis 1740. Van de beroemde orgels van Le Picard resten nog: het positief van het orgel in Nunhem, dat nu als koororgel gebruikt wordt in de Martinikerk in Groningen, de kasten van het orgel in Thorn, het orgel van de Minderbroederskerk, dat na de sluiting van het Minderbroedersklooster verhuisde naar de Munsterkerk en vandaar via de Oosterkerk terecht kwam in de Tuindorpkerk, eveneens in Utrecht, waar het volledig is gerestaureerd en sinds enkele jaren weeer in volle glorie te bewonderen is.

Van het orgel in de Caroluskapel zijn bewaard gebleven de orgelkasten, een gedeelte van de windvoorziening en een zevental registers. Hoewel de frontbezetting en de opstelling van de hoofdgestellen overeenkomt met die van andere Picard orgels, wijkt de orgelkast toch sterk af van voornoemde orgels. De orgelkasten zijn dan ook niet vervaardigd in Luik, zoals het koororgel in de Martinikerk van Groningen, een duidelijk voorbeeld van Luikse Rococostijl, maar de orgelkast van het orgel in de Caroluskapel is regionaal vervaardigd, met de stijlkenmerken van de Regence, de overgang van Louis XIV naar Louis XV. Zonder in te gaan op details maakt het geheel een uitermate gave indruk. Deze orgelkasten behoren niet alleen tot de oudste, maar zeker de gaafst bewaard gebleven en mooiste in Limburg. Het orgel beheerst majestueus het gehele achteraanzicht van de barokke zaalkerk, waarin het volkomen harmonieus is opgenomen. Van Le Picard wordt door Cuvelier in bewondering geschreven: Men vindt in Europa wel grotere orgels, maar geen betere.

Dat we in de Caroluskapel beschikken over een regionaal vervaardigde orgelkast in Regence stijl, met een orgel, gebouwd door Le Picard onderstreept het unieke karakter.

Wetenswaardigheden van het orgel

De monniken hebben niet lang plezier gehad van hun orgel, want op last van keizer Joseph II van Oostenrijk, gedateerd maart 1783, werd een eind gemaakt aan de eerbiedwaardige stichting. De Kartuizers kopen zoveel mogelijk, maar niet het orgel. Dat wordt nu eigendom van de adellijke Norbertinessen van St. Gerlach, die zich in 1786 in de Kartuis vestigden. Wanneer de Fransen in 1797 de Kartuis als domein verkopen, kopen de zusters het weer terug en verkopen het weer aan hun zaakwaarnemer Jan Schoenmaecker te Raar bij Meerssen. Over de toestand van de Kartuis tot 1840 is hoegenaamd niets bekend, maar het orgel is in ieder geval voor afbraak behoed. In 1841 wordt het gebouw gekocht door Mgr. Paredis en bestemd tot Groot-Seminarie. Het orgel heeft waarschijnlijk lange tijd onbeheerd gestaan, want in 1850 blijkt een grote restauratie noodzakelijk. Dat gebeurt door Frans Louvignij, orgelbouwer in Roermond. Deze orgelbouwersfamilie werkte hoofdzakelijk in Roermond en omgeving. Zij werden door hun stadgenoten nogal gevierd. Hendrik Louvignij, zoon van Frans wordt uitvoerig geroemd voor de uitvinding van een nieuw soort blaasbalg, "die de wind beter doet regelen". Frans Louvignij brengt niet alleen meerdere registers in het orgel, maar verlegt en verandert ook de windvoorziening. Het orgel had een voor die tijd grote manuaalomvang gekregen. De nieuwe blaasbalg, naar zijn eigen systeem, is door alle volgende orgelbouwers gehandhaafd. Dat Louvignij een goed vakman was, blijkt uit het feit, dat de door hem geleverde materialen van zeer goede kwaliteit zijn.

Onder Prof. Verzijl, de grote stootkracht in Limburg voor het herstel van de kerkmuziek, werd in 1878 Muller aangezocht het orgel te reviseren en van vrij pedaal te voorzien. Muller is een bekende naam. Deze orgelbouwersfamilie uit Reifferscheidt bij Aken, heeft in Limburg enkele mooie orgels gebouwd, zoals in de abdij van Rolduc, in de St. Lambertuskerk te Kerkrade, in de Gregorius te Brunssum en te Wylre: "solide orgels met een goede intonatie"schrijft Gregoir. De gebr. Vermeulen werkten aan het orgel in 1888 en hebben het onderhouden tot 1900. Daarna nam Franssen hun plaats in. Deze firma heeft in 1900 3 maanden aan het orgel gewerkt tot herstel van het mechaniek. In 1927 wordt het orgel door M. Peereboom en Zn. te Maastricht verbouwd tot een pneumatisch orgel met kegelladen. Hierbij ging helaas veel van het oorspronkelijke pijpwerk verloren, zoals alle Mixturen en Tongwerken. Ook het rugpositief werd geroofd en de kast tot achter de frontpijpen afgezaagd. De kast ging gelukkig niet verloren. Ook werd het orgel toen voorzien van een electromotor. Er is niet alleen achteruitgang in registertal, maar vooral in de samenstelling van de dispositie.

Het orgel was veranderd in geest van de romantische periode, volkomen vreemd aan het barokke interieur van de kerk. In 1953 werd de firma Verschueren aangezocht een onderzoek in te stellen naar de toestand van het orgel. Een algehele restauratie bleek op korte termijn noodzakelijk. Van het pijpwerk van Le Picard bleek teveel verloren om de oude dispositie te herstellen, terwijl mechanische sleepladen financieel niet haalbaar waren. Besloten werd de opstelling der werken te herstellen, met name het Positief. Het Zwelwerk werd ondergebracht in de onderkast, waardoor indirect geluid vermeden werd. Aan het pedaal werd een nieuwe lade toegevoegd, Positief en Zwelwerk kregen een geheel nieuwe windlade. Blaasbalg en zoveel mogelijk de oude kanalen zijn gebruikt. Een nieuwe speeltafel werd geplaatst aan de epistelzijde van de orgelgalerij. Het systeem is zuiver elektrisch en zo eenvoudig mogelijk gehouden. Het gehele orgel werd van een ombouw voorzien om de toegang tot het orgel af te sluiten en ter bevordering van het klankvolume.

"Met deze restauratie heeft Verschueren weer een koninklijk en majestueus orgel gegeven, waarbij aan de uiterlijke pracht van de orgelkasten de inwendige klankrijkdom evenredig is."

Hoewel we dus in dit orgel een in wezen fantastisch instrument hebben in Roermond is al jaren duidelijk, dat een echt grote restautatie dringend noodzakelijk is. Het orgel zelf staat op de lijst van Rijksmonumenten, maar omdat de Caroluskapel niet in gebruik is als regulier kerkgebouw krijgt het orgel beslist niet de aandacht, die het verdient. Met recht een "Vergeten Monument".

De Tweede Wereldoorlog

In 1945 trof een andere aardbeving veel kerken in Limburg. Van de 270 kerken werden er 117 min of meer beschadigd en verwoest, toen de Duitsers bij het terugtrekken tussen Sittard en Nijmegen zo goed als alle kerktorens opbliezen. En onder vrijwel elke kerktoren stond een orgel. Het Bisdom maakte na de oorlog afspraken met de orgelbouwers, waardoor fabrieksmatig orgels werden vervaardigd, om zo spoedig mogelijk de situatie in de Limburgse kerken te herstellen. Dat fabrieksmatige karakter heeft zich gewroken, maar pas na 1969 begon men te begrijpen, wat Albert Schweitzer bedoelde met zijn oproep om meer respect te hebben voor het aloude beroep van orgelbouwer.

De fabrieksmatige orgels werden gebouwd volgens het elektro-pneumatische systeem. Bijna overal waar deze orgels gebouwd zijn is het beoefenen van de orgelcultuur verdwenen, terwijl de laatste jaren blijkt, dat de levensduur van deze orgels zeer beperkt is.

Er zijn tussen Sittard en Cuyck geen oude orgels meer te vinden, behalve in de Caroluskapel in Roermond (en misschien Neeritter). Het Orgel in de Carolus is dus uniek in het gehele gebied tussen Sittard en Cuyck.

De onmiddellijke consequentie is dan ook, dat Zuid-Limburg over een rijke orgelcultuur beschikt, terwijl dat in Midden- en Noord Limburg helemaal niet het geval is.

Situatie in Roermond

Naast het orgel in de Caroluskapel, beschikt Roermond over nog een tweede vermeldenswaard orgel en wel het fraaie Franssen- orgel in de Minderbroederskerk, in de zeventiger jaren omgebouwd door de bekende orgelbouwer Karel Dirksen.

Zowel de Minderbroederskerk als de Caroluskapel beschikken over een geweldige akoestiek, wat beide kerken zeer geschikt maakt voor het geven van concerten en het ontwikkelen van de Kerkmuziekcultuur in Roermond.

Uitgaande van dat gegeven is in 1999 de Orgelkring Roermond van start gegaan. Het orgel in de Caroluskapel is door Verschueren weer bespeelbaar gemaakt, zodat sindsdien bekende organisten in juli en augustus ook hier concerten kunnen verzorgen, hoewel enkele registers uit 1740 dienst weigeren.

Restauratie Carolus-orgel

De restauratie van het orgel werd geschat op 0,6 miljoen Euro. Omdat het orgel op de lijst van Rijksmonumenten staat is een groot gedeelte van dit bedrag subsidiabel, maar toch was er een flinke bijdrage van eigenaar en gemeente nodig. Omdat de Caroluskapel niet als regulier kerkgebouw in dienst is, was aarzeling ten opzichte van deze bedragen, weliswaar begrijpelijk, maar als er niet binnen afzienbare tijd aktie werd genomen, zou een uniek monument verloren zijn. Mede dankzij de steun van onze donateurs is het gelukt dit te voorkomen.

Geef hier uw reactie
Verberg reactieformulier

Uw reactie

Naam

Woonplaats

Opmerking

anti-spam beveiliging
CAPTCHA Image

Voer de letters en cijfers
van het naastgelegen plaatje
in dit veld in, of
Klik hier voor een andere afbeelding
De achtergrondfoto: het door Rura gereconstrueerde Heksenhuuske, onderdeel van het Cattentorencomplex van de middeleeuwse stadsmuur.

Op de achtergrond: het heksenhuuske

In 2009 werd de reconstructie van het Heksenhuuske, onderdeel van het Cattentorencomplex, feestelijk geopend. Stichting Rura had met succes de middelen bijeen gebracht om dit bouwwerk weer zichtbaar te maken. Het Heksenhuuske is herbouwd op restanten uit de 14e en 16e eeuw. Het Cattentorencomplex vormt de noordelijkste hoek van de Roermondse vestingwerken.