Verleden van Roermondse fotografen belicht
Met de presentatie van zijn boek Belicht verleden, fotografen in Roermond 1850-1900 heeft Jos Erdkamp een lange zoektocht binnen deze specifieke beroepsgroep afgerond. Hij baseerde zijn boek op circa 1500 binnen- en buitenlandse bronnen, waaronder akten van de burgerlijke stand, bevolkingsregisters en advertenties in kranten. Vanmiddag werd in het Cuypershuis het eerste exemplaar van het rijk gedocumenteerde werk overhandigd aan burgemeester Yolanda Hoogtanders.
Of Jos’ zoektocht werkelijk helemaal is afgerond, weet je maar nooit. Met de ontsluiting van grote aantallen digitale bronnen in de ons omliggende landen (inclusief Frankrijk) konden zijn artikelen uit 1989 over hetzelfde onderwerp ruimschoots aangevuld worden. In dat jaar verscheen van zijn hand namelijk een bijdrage in het Jaarboek van de Heemkundevereniging Roerstreek en publiceerde hij eveneens in het Photohistorisch Tijdschrift (1989, nr. 3).
In het eerste deel van het boek wordt de fotohistorie van Roermond bekeken vanuit het perspectief van de inwoners, de klanten. Het geeft een antwoord op de vraag hoe het in de 19e eeuw was om in Roermond een foto te laten maken. Waar kon men terecht, hoe zag een atelier eruit, welke producten waren beschikbaar, en wat kostten die? Het maken van een fotoportret bleek aanvankelijk overigens slechts weggelegd voor het welgestelde deel van de bevolking, maar in de loop van de jaren 1850 werden ook goedkopere producten aangeboden door reizende (kermis)fotografen.
We kunnen het ons met de huidige mogelijkheden bijna niet voorstellen, maar destijds was een foto vaak de enige tastbare herinnering aan mensen en gebeurtenissen. De omgeving van het Bisschoppelijk College en de kazerne was daarom in trek bij fotografen om er je atelier te vestigen. Daar zaten immers soldaten die met een portret herinneringen aan hun maten wilden vastleggen bij het einde van de diensttijd. Of schoolvrienden die een tastbare herinnering wilden hebben bij het einde van de schoolperiode.
In dit verband denken we aan statige foto’s, waarvoor men eens goed poseerde. Heel wat anders dan de niet zelden beschonken studenten, die de Leidse fotograaf Israël Kiek eind 1800 regelmatig uit bed haalden om in de vroege uurtjes de vrolijke vrienden op de gevoelige plaat vast te leggen. Kiek plaatste hen gewoon als groep bij elkaar, gebruikte allerlei attributen om vast te houden of liet hen samen op een ladder staan en schoot dan snel zijn prent. Niet altijd even loepzuiver overigens. Al snel was de bijnaam ervoor ontstaan: het kiekje. Een naam die wij tegenwoordig allemaal gebruiken voor de prentjes die we zelf schieten.
Het waren overigens niet alleen personen die op de foto gingen. Zo maakte fotograaf Weers in 1903 een aantal prachtige foto’s van het interieur van de Munsterkerk. Deze werden gebruikt voor een bijzonder album dat aan Hare Majesteit Koningin Wilhelmina werd aangeboden tijdens haar bezoek aan Roermond. Maar ook foto’s van lokale bezienswaardigheden, die gebruikt werden om briefkaarten van te maken.
Het tweede deel van het boek bevat de afzonderlijke levensbeschrijvingen van de 43 fotografen die in Roermond werkzaam zijn geweest. Dat was een bont gezelschap van kermisfotografen, reizende fotografen en in de stad gevestigde fotografen met een permanent atelier. Dit tweede onderdeel kan meer als naslagwerk worden gezien dan als doorlopend verhaal. De afzonderlijke levensverhalen zijn echter meer dan een droge opsomming van jaartallen en gebeurtenissen. De beschrijvingen schetsen een beeld van de fotograaf als persoon. Wat was zijn of haar achtergrond? Op welke wijze speelden familieleden een rol? Hoe ontwikkelde het privéleven zich en hoe zag de loopbaan eruit? Hoe ging de fotograaf om met vernieuwingen in het vak? Soms zijn het schrijnende verhalen van op jonge leeftijd overleden echtgenoten en achterblijvende vrouwen die dan moeten proberen om het fotoatelier draaiende te houden.
Ook de levens van kermisfotografen gingen niet altijd over rozen; kinderen werden in een tent of woonwagen geboren en soms overleden ze daar ook korte tijd later. Uit de levensbeschrijvingen komt echter ook naar voren dat het beroep van fotograaf aantrekkelijk was: het werk was lichter dan fabrieksarbeid en de verdiensten leken, en waren, vaak groter dan het karige loon van een arbeider.
Voor nagenoeg alle fotografen was Roermond een tussenstop in een veel langere reis. Soms duurde die tussenstop slechts een week, andere keren enkele decennia. Door het hele leven van een fotograaf te bekijken, is het mogelijk de Roermondse periode in een bredere context te plaatsen. Juist op dit onderdeel wees de burgemeester met veel lof. Het vastleggen van de persoonlijke verhalen geeft meer kleur en invulling aan de rijke geschiedenis die onze stad tekent. Het is belangrijk om die te bewaren. De aanwezigen werden opgeroepen om zelf eens door de eigen fotoalbums van vorige generaties te bladeren: ‘Misschien komt er nog wel een derde deel’, sloot de burgemeester met een knipoog af.
Het boek, een absolute aanrader, is door de auteur uitgegeven in eigen beheer. De oplage is beperkt en te koop bij het Cuypershuis en Boekhandel Boom aan de Neerstraat. Kosten: €31,50